Kunst in de Belgische ambassade in Kinshasa

In 2017 werd de nieuwe Belgische ambassade in Kinshasa geopend. De FOD Buitenlandse Zaken koos er uitzonderlijk voor om niet enkel werk van Belgische kunstenaars aan te kopen, maar nodigde ook Congolese kunstenaars uit voor het maken of selecteren van een kunstwerk dat in of rond de ambassade wordt geëxposeerd. Het gebouw telt uiteindelijk 40 kunstwerken van 20 verschillende kunstenaars.

Eddy Kamuanga Ilunga, Entre Nous 2 – Mangbetu, 2016

Van Eddy Kamuanga Ilunga (1991) werd het werk ‘Entre nous 2 – Mangbetu’ uit 2016 aangekocht. Zoals de titel reeds aangeeft, verwijst de kunstenaar hierin naar de Mangbetu, een volk dat in het oostelijke deel van DR Congo leefde en dat nog steeds de verbeelding van vele westerlingen tart. Eddy Kamuanga Ilunga combineert de verlengde hoofden waarvoor het volk is gekend met herkenbare patronen van gebatikte stoffen en van het binnenwerk van computeronderdelen. Hiermee verwijst hij naar de ontginning van grondstoffen zoals koltan, nodig voor computers en gsm’s, en op die manier ook naar de mondiale digitalisering.

Eddy Kamuanga Ilunga, Untitled, 2015 (c) Steven Decroos

Dezelfde vormentaal is herkenbaar in het werk dat vanaf 25 maart 2018 in ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’ wordt tentoongesteld. De rechterhand, het bovenlichaam en het hoofd van de afgebeelde figuur verwijzen naar een harde schijf en de kledij lijkt op een digitaal gepixeld beeld. Het stijlvolle jasje toont het logo van Louis Vuitton en het lange hoofd refereert aan de Mangbetu. Het geheel is geschilderd op een rubberen plaat in de vorm van een grote schoenzool. Dit werk is ouder dan het werk in de Belgische ambassade en vormt het begin van zijn ‘Mangbetu-periode’. Het toont de overgang van eerder geometrische schilderijen naar werken met aandacht voor technologische vormen, pagnes en een zelf uitgevonden alfabet.

Een bezoeker blogt: Ronny Vandenbroele

Kinshasa Blues

door Ronny Vandenbroele

Toen ik tijdens De Nacht van de Musea en de Galerijen in Oostende Mu.ZEE bezocht, was ik aangenaam verrast: een groot deel van de verdieping was gewijd aan werken van kunstenaars uit Kinshasa.

In 1977 was ik voor het eerst in Congo. Ik ontdekte er Kinshasa, de hoofdstad van wat toen nog Zaïre heette, en was meteen verloren. Daar ook ontdekte ik toen al een fragment van de lokale kunst. Zoals de meeste blanken zocht ik op de ‘Marché des voleurs’ iets ‘authentieks’ als souvenir. Zoals de naam laat vermoeden, bestaat de markt uit lokale handelaars die aan exorbitante prijzen ‘kunst’ aanbieden aan argeloze (blanke) toeristen. Je vindt er tientallen stalletjes die, naast schilderijtjes met veel palmbomen en veel kleuren, bewerkte stukken malachiet, ivoren en houten beeldjes, maskers en andere tropische rariteiten aanbieden. Daarnaast was er ook een Belgisch onderofficier die de dorpen in Beneden Congo afschuimde en er lokale kunstvoorwerpen aankocht. Zo kon ik bij hem een aantal originele maskers op de kop tikken.

De voorbije tien jaar ben ik meermaals naar Kinshasa gereisd en zo heb ik ook haar kunstenaars leren kennen. De stad is in al die jaren als een olievlek uitgebreid. De bevolking is er vertienvoudigd, van één naar tien miljoen. Spijtig genoeg is één zekerheid die de inwoners in 1977 hadden nog altijd geldig, namelijk “dat het vandaag in ieder geval beter is dan morgen!“ In Kinshasa is de hoofdbekommernis van negentig percent van de inwoners simpel: hoe overleef ik vandaag? Dat in het filmpje dat in Mu.ZEE draait een Congolese kunstenaar zegt dat hij zijn koelkast en kleren verkocht om verf, penselen en doeken te kopen, verwondert mij dus niet.


Foto: Chéri Benga

Die kunstenaar, Emmanuel Botalatala, ontmoette ik voor het eerst in 2010. Toen startte ik aan de KU Leuven een project op waarbij Leuvense professoren materiaal dat ze nodig hadden voor hun projecten in Congo met militaire vliegtuigen naar Kinshasa konden brengen. Kristien Geenen, onderzoekster aan het Leuvense Instituut voor Antropologie in Afrika, hoorde daarvan en vroeg me of er ook in de omgekeerde richting zaken mogelijk waren. In 2010 werd namelijk de vijftigste verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid gevierd en zij organiseerde in dat kader een tentoonstelling. Datzelfde jaar verdedigde ze ook haar doctoraatscriptie onder de titel ‘The pursuit of pleasure in a war-weary city, Butembo, North Kivu, DRC’, met als promotor Prof. dr. Filip De Boeck. Kristien vroeg me of het mogelijk was om werken van een aantal Congolese kunstenaars met het militair transport mee naar België te brengen. Dat ging zo:

Van: Kristien Geenen
Verzonden: zondag 7 maart 2010 15:55
Aan: Ronny Vandenbroele
Onderwerp: RE: Bezoek minister aan Congo

Geachte, ik heb inmiddels naar enkele kunstenaars in Kinshasa gebeld, en er is inderdaad al wat materiaal klaar voor de tentoonstelling. De enige artiest die een wagen heeft, is Chéri-Chérin, dus ik zal aan hem voorstellen dat hij het materiaal bij hem thuis verzamelt en vervolgens tot bij u brengt. Zijn telefoonnummer is **** ** ** **. Hijzelf heeft minstens één doek klaar. De artiesten die ook enkele werken zouden meegeven, zijn Botalatala (**** ** ** **, een vijftal collages) en Alain Bonduka (één doek). De anderen waren nog niet zeker of de werken tijdig klaar zouden zijn. De kunstenaar die alles tracht te coördineren ter plaatse, is Chéri-Benga: **** ** ** **. Ik hoop dat het vlot zal verlopen, geen evidentie in Kinshasa!, en nogmaals bedankt op voorhand voor de moeite, met vriendelijke groeten, Kristien

De minister van wie er sprake is in de mail was Pieter De Crem, toen minister van Landsverdediging. Hij bracht in maart 2010 een officieel bezoek aan Congo en ik kon meevliegen.

Bij die gelegenheid ontmoet ik in Kinshasa drie Congolese kunstenaars in de bar van de Procure Sainte Anne. De Procure is sedert 1903 het hart van de congregatie van Scheut, een katholieke congregatie van missionarissen. De drie kunstenaars waren Emmanuel Botalatala, die zichzelf ‘Le Ministre des Poubelles’ noemt, Chéri Benga en Papa Mfumu’Eto 1er. In de bar van de Procure spraken we af hoe hun werken in de toekomst in België konden geraken. Ze troonden me ook mee naar de Zone Artistique in de omgeving van de Zoo van Kinshasa, waar tientallen kunstenaars en ambachtslieden hun atelier hebben.

 Foto: JP Mika

Kunstschilder Botalatala heeft een door polio misvormd been, waardoor hij mankt. Zijn bedrijvige handen gebruikt hij permanent om zijn nooit ophoudende betogen te ondersteunen. Hij heeft een filosofie opgebouwd rond afval in onze moderne consumptiemaatschappij. Hij verzamelt wat andere mensen weggooien. Dat ‘afval’, dat voor hem geen afval is, gebruikt hij in zijn politieke en maatschappijgerichte assemblages met niet-evidente titels zoals 'Pèlerinage vers un hypothétique état de droit' (2010), ‘L’Aigle oppresseur’ (1992) en ‘Mon coeur en ébulition’ (2009).

In de Zone Artistique heeft hij zijn magazijn. Dat is niet meer dan een door een symbolische koord afgesloten open ruimte waar hij het resultaat van zijn zoektochten naar afval verzamelt. Het ligt er vol stukjes hout, papier, ijzerdraad, flesjes en conservenblikken. Die stukjes plakt hij op vooraf geschilderde stukken triplex. In die werken komen zowel lokale als wereldproblemen aan bod.

Ik bezoek ook de vriend-kunstenaar van Botalatala, Chéri Benga. Die heeft zijn atelier in de populaire wijk Selembao. Hij huurt er een eenkamerhuisje langs een drukke boulevard. Om den brode maakt hij naast kunstwerken reclamepanelen voor winkels. Zijn atelier is een hoekje van twee op twee in dat huisje. Hij had het geluk een paar keer naar België te kunnen komen, waardoor hij een tweedehands auto kon kopen die hij liet gebruiken als taxi. In 2010 staat wat overblijft van de wagen naast zijn huisje in de cité.

Zes maanden later, in augustus 2010, kan ik, samen met de Leuvense professor Zana Etambala, terug naar Kinshasa met een militaire Airbus. Zana kwam als peuter naar België en is opgevoed in een West-Vlaams gezin. We spreken onder elkaar dus West-Vlaams! Momenteel is hij verbonden aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Op datzelfde vliegtuig zitten de Beninese en Congolese leerling-officieren van de Koninklijke Militaire School (KMS). Drie van de Congolese studenten zijn niet komen opdagen voor de vlucht naar Congo. Na de zomer gaan ze ook niet meer terug naar de KMS. Dit is reden genoeg voor Kabila om de samenwerking met de KMS op te zeggen. Eveneens op het vliegtuig zitten een dokter- en een apotheker-reservist die in het kader van een programma van Landsverdediging regelmatig naar Kinshasa vliegen om de Congolese oud-strijders medische steun te verlenen.

Wanneer ik net ben geland in Kinshasa krijg ik een berichtje van Kristien:

Heb zonet treurig nieuws gekregen. Sim Nsingi, een jonge artiest die deelneemt aan onze tentoonstelling, is overleden. Hij had naar verluidt plots hevige buikloop, en is drie dagen nadien overleden. Het is de zoon van een ander deelnemend artiest, Sim Simaro. De begrafenis is gepland op woensdag. Ronny, ik neem aan dat alle artiesten die dag op de begrafenis zullen zijn. Ik geloof dat je maandag vertrekt? Kan ik je een gunst vragen, zou je aan Chéri Benga of JP Mika 50 dollar van mijn kant willen geven, als bijdrage voor de begrafenis? Ik betaal je onmiddellijk terug wanneer je weer in België bent. Ik zal Chéri-Benga of Mika vragen je dinsdag op te zoeken om het geld af te halen. Alvast heel erg bedankt, en goede reis, Kristien

Het is JP Mika die me in de Procure komt opzoeken en aan wie ik het geld geef. Hij nodigt me bij hem uit om schilderijen voor de tentoonstelling van Kristien op te halen. JP Mika woont nog dieper in de cité dan Chéri Benga. Om zijn huis te bereiken, moet je door smalle steegjes die bij tropische regen omgeschapen worden in modderwegen. Hij schildert buiten naast zijn huis.

 Foto: Chéri Benga

Met de uit Congo meegebrachte werken organiseert Kristien eind 2010 twee tentoonstellingen: een in de Brusselse KVS en een in de Centrale Bibliotheek van de KU Leuven op het Ladeuzeplein. De tentoonstellingen hebben als thema ‘Straatkinderen in Kinshasa’. Kristien combineert er eigen foto's met een veertigtal schilderijen van kunstenaars uit Kinshasa. Naar aanleiding van deze tentoonstelling verschijnt ook een geïllustreerde catalogus met teksten van straatkinderen en begeleidende essays van professor Filip De Boeck, schrijfster Lieve Joris en de Congolese professoren Yoka Lye en Joseph Ibongo van het Institut des Musées Nationaux du Congo.

We zijn nu alweer bijna acht jaar later, maar mijn bezoek aan deze verrassende tentoonstelling in Mu.ZEE heeft bij mij heel wat bijzonder fijne en dankbare herinneringen opgeroepen.

Vanaf 20 maart 2018: filmprogramma bij ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’

Dr. Matthias De Groof en Benoît Van Maele stelden in het kader van ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’ een screening programma samen van films die gelinkt zijn aan kunstwerken en thema’s uit de tentoonstelling. De films worden doorlopend vertoond tijdens de openingsuren in de projectruimte in Mu.ZEE. Als voorsmaak presenteren de curatoren van het filmprogramma alvast deze kortfilm ‘Moshanyana’ van Rui Tenreiro:

“Moshanyana is een Zweeds/Mozambikaanse kortfilm die soms tot het ‘African Futurisme’ gerekend wordt. Het futurism made in Africa, oftewel African Futurism, draagt op talloze wijzen bij aan het beeld van Afrika én aan speculatieve fictiegenres. “The world is catching up with Africa, not the other way around”, zegt Achilles Mbembe. Afrika fungeert als een laboratorium voor wat komen gaat. Afrika is ‘a paradigm for the future’, want ze vormt de voorhoede voor ontwikkelingen in het westen. Zoals het (neo)koloniale beeld van Afrika ook de Afrikaanse werkelijkheid begon te bepalen, zo ook moet men zich eerst een toekomst inbeelden alvorens men er naar kan streven.”

We will travel to the center of the anthill of Capricorn. A formidable structure of cement chips and armor in constant degradation, but in its entirety, when seen from a distance, a huge city of babel, solid and dense. Untouchable. A pyramidal complex in favor of the emperor of Capricorn. At the top of the gray anthill, in the center and at the zenith of this structure is the imperial cabinet, symbol of revolution and national power.

 

Programma:

20.03.18-8.04.18
– Stemmen uit Zaïre (Dirk Dumon, 1989, 54’)

10.04.18-29.04.18
– Doordringen in het mysterie van het onzichtbare (Francis Pume Bylex, 2009, 1u09’)

1.05.18-20.05.18
– Kin Kiesse (Mweze Ngangura, 1982, 28’)
– Kinshasa mboka té (Douglas Ntimasiemi, 2013, 52’)

22.05.18-10.06.18
– Diorama (Matthias De Groof, 2018, 33’)

12.06.18-1.07.18
– Marché Koweit (Paul Shemisi, 2013, 15’23”)
– Théatre Urbain (Nelson Makengo, 2017, 12’52”)
– La Voix (Malabar, 2013, 11’12”)

3.07.18-22.08.18
– L’homme et son ombre (Kristin Rogghe, Francis Mampuya & Matthias De Groof, 2007, 8’21″)
– Peintres Bantous (André Scohy, 1952, 12’)

24.07.18-12.08.18
– Palaver (Emile Degelin, 1969, 1u18’)

Tip: Boekvoorstelling ‘Zoo Humain. De blijde terugkeer van de Barbaar’ op 21 maart 2018

Op vraag van de minister-president formuleert Chokri Ben Chikha middels rapporten antwoorden op het vraagstuk van de huidige sociaal-culturele impasse. Deels met de ene voet verzonken in het Tunesisch zand, baant de onderzoeker zich met de andere een weg doorheen het slagveld in de Vlaamse klei en gaat de strijd aan met o.m. de brol van zijn vader, culturele ramptoeristen, Malcolm X-imitators, pizzadozen, de Belgische Bisschoppenconferentie, politieke angsthazen en naïevelingen, dierentuindirecteur en pionier in de ‘zoo humain’ Carl Hagenbeck, en de troostindustrie.

Zoo Humain. De Blijde terugkeer van de Barbaar is een bundeling van notities, bespiegelingen, dagboekfragmenten, verslagen, theatertekstfragmenten en ontmoetingen. Alles is waargebeurd, behalve de meest interessante stukken.

Praktisch: 21 maart 2018 om 20 u. bij kleinVerhaal (Sint-Sebastiaanstraat 16 te Oostende)
Organisatie: kleinVerhaal vzw en Masereelfonds Aan Zee

Leestip: een interview met Chokri Ben Chikha door Masereelfonds

! Kruis ook alvast 2 augustus 2018 aan in je agenda, want dan komt Chokri’s theatergezelschap Action Zoo Humain naar Mu.ZEE. Meer info volgt!

Norbert Hostyn over ‘Lezend Echtpaar’ van Raoul Servais

Tentoonstellingszicht ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’ (episode 1): Raoul Servais & [toegeschreven aan] Baruti Chenge (c) Kristien Daem
Nog tot en met 17 juni 2018 wordt ‘Lezend echtpaar’ (1955) van Raoul Servais tentoongesteld in ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’.

"Voor een kamerscherm zitten, van elkaar afgewend, een man en een vrouw te lezen. Zij weekt ondertussen haar voeten in een teil water. De interpretatie kan alle kanten uitgaan: is dit hun gewone manier van doen? Of zit er een haar in de boter? In alle geval is het stil.

Dit kleine, frêle, bijna intimistische werkje van Raoul Servais dateert uit de vijftiger jaren en werd aangekocht door de Stad Oostende. Het hing vele jaren onopvallend in het bureau van de stadsbibliothecaris in het Feest- en Kultuurpaleis, onzichtbaar voor het publiek.

Servais maakte carrière en naam als animatiefilmer, maar zijn allereerste creaties waren toch picturaal. Zo verzorgde hij de nieuwe muurschilderingen in het nu verdwenen "Ons Achturenhuis" in de Langestraat toen de gelagzaal, ook in die  tijd, gerenoveerd werd. En hij tekende voor één van de mooiste carnavalsaffiches ooit van de Stad Oostende, die van 1954. Zaken die je door het trefwoord "Servais" in te tikken ook kunt terugvinden op de Beeldbank van de Stad Oostende."



Norbert Hostyn

 

Tip: vanaf 30 juni 2018 opent de Raoul Servais Museumvleugel in Mu.ZEE!

Congolese Rumba in Mu.ZEE

Tentoonstellingszicht ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’ (episode 2): vinylplaten (privécollectie) (c) Kristien Daem

De collectie vinylplaten met Congolese rumba – deel van de privécollectie uit Kinshasa – wordt sinds 6 februari 2018 tentoongesteld in ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’. Een deel van de platen werd gedigitaliseerd en is te beluisteren in het museum. Hieronder een aantal fragmenten uit een tekst over Congolese rumba geschreven door Achille Mbembe.

Variations on the Beautiful in the Congolese World of Sounds’ by Achille Mbembe:

“Throughout the second half of the 20th century and into the first years of the new millennium, Congolese rumba and its offshoots, the most popular music heard and performed in the cities of Congo-Kinshasa and Congo-Brazzaville, has exercised an intimate power over the African imaginary. More significantly, the music at hand has demonstrated itself to be the most successful expression of serenity in the face of tragedy. At once poetry, dance and prayer, it has become a dual experience of both inner freedom and possession, of sadness, anguish and loss on the one hand and radiant happiness and emotional expressiveness on the other. As a result, far from resembling a narcotic religion which becomes more powerful as dissatisfaction with reality increases, it has emerged as a declaration of the most radical and the most immediate faith in a life which is necessarily contradictory and paradoxical.

If this is so, the question then is to establish what actually happens in this music. What makes it arouse, in the African subject hearing it, listening to it or dancing to it, a force so unique and so intimate that the subject experiences a feeling of complete jubilation? What is the relationship between this intimate force and the idea of the beautiful? How can we understand its power, its penetrating strength and energizing force, and hence its aesthetic signification? What experience of joy and of life does it document and, in so doing, how does it bring about a fusion of sound, happiness and sensation?

In responding to these questions, my starting-point is that there is neither beauty nor ugliness other than in relation to a form of life of which the beautiful (or the ugly) is a manifestation, a celebration, or even a contradiction. From a purely musical perspective, the beautiful is that which, judged so by the ear, touches and moves, provokes pleasure or sensory joy. But the ear is not all. This too is a starting point for what follows. As I will demonstrate, in Congolese music such sensation is evoked in the body by what might be called “sound forces”, and is subsequently experienced at different levels of intensity and through different organs.”

Tentoonstellingszicht ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’ (episode 2): vinylplaten (privécollectie) (c) Kristien Daem

“In order to understand the aesthetic dimensions of popular urban Congolese music, we need to examine the context in which that music was born and developed. While, from a strictly musical perspective, the history of modern Congolese music remains to be written, the socio-political and economic context of its evolution is relatively well documented. The sounds, rhythms and ethnic dances of the Democratic Republic of the Congo, Congo-Brazzaville and a large area of Angola, it is firmly established, birthed the music of which we speak. Mixtures and borrowings from African and foreign styles, as well as from Christian hymnody, were then added to this base. The rhythms and sounds born of this mix emerged alongside colonial urbanization and the social and economic transformations that it engendered.”

“From its inception in this context, Congolese popular music was less concerned with flawless beauty and purity of form than with its power to act as a sign system devised to free the imagination. It was a hybrid, a bastard child, at heart.”

“By the mid 1970s, music had become a key means by which Congolese urban society reflected on itself, on its own identity, and on the modes of representation it adopted. In many respects, music epitomized joy, festivity and happiness, elegance and serenity. It enabled the Congolese to sing what could not be spoken about in any other kind of speech. Musical instruments, the guitar in particular, did the talking and explained how what was said was to be danced. As an art form, music played a crucial role in the definition of taste and sensibilities and in the invention of formal codes of “good manners” and civility. It became a vehicle for commenting on morals and an engine for social satire, a repository for discourse on virtues, vices and passions – pride, hate, envy and idleness, ugliness, deformities, greed and sexual predation.”

Freddy Tsimba in Brussel en Oostende

Tentoonstellingszicht ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’ (episode 1): Francis Mampuya, Marjo Van Soest, Freddy Tsimba, Bodys Isek Kingelez, Paul Joostens (c) Steven Decroos

Het eerste kunstwerk van een Afrikaanse kunstenaar dat een vaste plek kreeg in de Belgische openbare ruimte, is van de hand van de Congolees Freddy Tsimba. Het werk ‘Au delà de l’espoir’ werd aangekocht door Africalia en op 29 september 2007 onthuld in Elsene. In de tentoonstelling ‘Een gesprek tussen collecties uit Kinshasa en Oostende’ is ook een buste van Freddy Tsimba te zien. Het beeld van de zwangere vrouw werd net zoals ‘Au delà de l’espoir’ gemaakt uit kogelhulzen (en deed in 2017 – heel toepasselijk – tijdelijk dienst als huisvesting voor een merelnest).

De kunstenaar verzamelde de kogelhulzen op diverse slagvelden, onder andere in Congo. Hij gebruikt dat materiaal om de kijker te confronteren met de realiteit van oorlog, geweld en lijden – een realiteit die dagelijks en dominant is voor miljoenen Congolezen, maar ook voor miljoenen andere mensen op de wereld. “Het werk van Tsimba is niet enkel een bevraging voor de Congolezen, maar voor de hele mensheid. Het is het bewijs dat Afrikaanse kunstenaars een universele bijdrage leveren tot reflectie en dialoog, over alle grenzen heen”, zei voorzitter van Africalia Gie Goris tijdens zijn toespraak. Africalia, de vzw die door de Belgische overheid betoelaagd wordt om artistieke en culturele projecten in Afrika te steunen, kocht het werk van Tsimba aan.

Freddy Tsimba, ‘Au delà de l’espoir’, 2007

Freddy Tsimba: “Ik werk vaak met lege kogelhulzen. Ik ben daarmee begonnen nadat ik op tv beelden zag van vluchtelingen bij een voedselbedeling. Die nieuwsflash is in mijn hoofd blijven spelen. Die onbarmhartige logica van de oorlog die geen ruimte laat voor hoffelijkheid of gewone menselijkheid. De kogelhulzen symboliseren die ontmenselijking, en daarom werden ze het basismateriaal van mijn kunst. Ik ben naar Kisangani en Bas-Congo getrokken om materiaal te verzamelen, maar ook naar Haïti en Soweto.
De meeste Conglozen vonden mijn werk in het begin niet “mooi”. Ze werden erdoor verontrust, het was te ingewikkeld, het was kortom niet de gepolijste kunst uit de academies die ze gewend waren. Ik ben ervan overtuigd dat mijn werk gewoon te dicht op hun vel zat. Mijn aanklacht tegen het overal aanwezige geweld is ook confronterend, natuurlijk.”

“Een kunstenaar moet die wonden zowel helen als aanklagen. Helen doet een kunstenaar niet door te verhullen of te verbloemen, maar door te bewaren. Mensen vergeten immers veel te snel. Ik maak zwangere vrouwen met mijn kogelhulzen. Dat is tegelijk een aanklacht tegen het geweld dat gepleegd wordt op kwetsbare mensen, maar het is ook de uitdrukking van mijn geloof dat hoop sterker is dan oorlog, dat vruchtbaarheid mogelijk blijft, zelfs na het geweld dat op vrouwen gepleegd werd. Met andere woorden: ik bewaar de herinnering aan de jaren van oorlog, maar ik doe dat op zo’n manier dat ik tegelijk een deur open op de toekomst. Voor mij is dat cruciaal: zonder hoop is er geen leven mogelijk.”

Meer info:
www.mo.be/artikel/afrikaans-kunstwerk-brussel-onthuld-door-mevrouw-kabila
www.mo.be/artikel/freddy-tsimba-kunst-moet-helen-en-aanklagen

 

Verslag: workshop met Dominique Lubaki – Over kunst, voetbal en migratie

Een verslag door stagiaire Saar Vandeweghe:

“Net zoals in de rest van de wereld houden Congolese kinderen van voetbal. Als ze geen bal hebben, maken ze die met recyclagemateriaal gewoon zelf. In Congo kent men dit ook wel als ‘artikel 15’ ofte ‘trek je plan’. Dit deed ook Dominique Lubaki, een kunstenaar die al 25 jaar in Oostende woont en van Kinshasa afkomstig is. Hij nam op vrijdag 16 februari de enthousiaste jonge bezoekers van Mu.ZEE en hun ouders mee op sleeptouw en leerde hen hoe zij ook hun eigen voetbal kunnen maken. Met krantenpapier, plastic zakken, oude T-shirts en de kundige begeleiding van Lubaki, kwamen algauw enkele kleurrijke voetballen tevoorschijn die de kinderen meteen konden uittesten. De kunstenaar exposeerde ook een aantal door hem gemaakte voetballen, samengesteld uit de karakteristieke kleuren van een aantal voetbalploegen waaronder vanzelfsprekend die van K.V. Oostende en van de drie grootste voetbalploegen uit Kinshasa. Die spraken natuurlijk erg tot de verbeelding van de deelnemers.

Naast het creatieve en speelse luik enerzijds, was er ook plaats voor enkele kritische noten anderzijds. Lubaki schenkt aanzienlijke aandacht aan de voetballers met een migratieachtergrond die in veel van de Belgische en Europese elftallen spelen. Hij stelt vragen bij de manier waarop we deze Afrikaanse voetbalsterren zo snel accepteren en op een voetstuk plaatsen, terwijl we het vaak moeilijk hebben met de grote, naamloze massa migranten die naar Europa komt. De kunstenaar gaat de problematiek rond migratie niet uit de weg. Hij heeft uit eerste hand ervaren hoe het is om uit een totaal andere cultuur de onze binnen te stappen en kent de uitdagingen die hierbij komen kijken. Banale dingen als de bus nemen op een specifiek uur, voor ons de normaalste zaak van de wereld, vormen een wereld van verschil met Congo waar dit scenario haast ondenkbaar is.

Het verschil tussen de twee culturen bleek echter toch niet zo groot wanneer een van de kinderen verwonderd vroeg ‘of die mensen wel écht uit een ander land kwamen?’.”

 

Over curatorschap en censuur: Sonia Boyce

Leestip van dr. Bambi Ceuppens, curator bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika:

Sonia Boyce, ‘Our removal of Waterhouse’s naked nymphs painting was art in action’ in The Guardian (6 februari 2018)

John William Waterhouse, Hylas and the Nymphs (c) Manchester City Galleries

“It is well known that the vast majority of artworks held in public collections languish, hidden from view, in storage facilities. Space constraints are one reason, but curatorial choices also play a role. Would we call these choices “censorship”? It is very rare that a range of museum workers (public events programmers, volunteers, gallery invigilators and security staff, conservation and gallery technicians and cleaners), let alone visitors, are invited into a dialogue about what goes on or comes off the walls, or why. Such discussions inevitably bring conflicting perspectives and interpretations into play. Judgment is at the heart of art, and this type of engagement has wide cultural implications. What is beautiful to some people may appear to others to represent a problematic and pejorative system. In relation to the 19th-century galleries under discussion, for example, are there other narratives than the female subject as a deathly siren (the femme fatale) or as a submissive object to be looked at?”